Nieuwe fase in de EU besluitvorming over teelt van gg-gewassen

Subcommissie Ethiek en Maatschappelijke Aspecten

Om de impasse rondom de besluitvorming over genetisch gemodificeerde (gg-)gewassen in Europa te doorbreken, is een voorstel aangenomen dat lidstaten de bevoegdheid geeft om teelt in eigen land te beperken of te verbieden op basis van andere dan veiligheidsoverwegingen. De doelstelling is tweeledig: het geeft lidstaten de mogelijkheid om gg-gewassen die voldoen aan de gestelde veiligheidscriteria, op eigen grondgebied te laten telen en het geeft lidstaten de bevoegdheid om teelt in eigen land te beperken of te verbieden op basis van andere dan veiligheidsoverwegingen. Met dit voorstel wil de Europese Commissie zowel de veiligheidsdiscussie ontlasten als de individuele lidstaten meer keuzevrijheid geven om recht te doen aan de nationale verschillen ten aanzien van dit onderwerp.

Nationale implementatie van dit voorstel is gecompliceerd. Daarom werd de COGEM in 2014 door het ministerie van IenM gevraagd om ter voorbereiding op de implementatie van dit voorstel de signalering uit 2009 met bouwstenen voor een duurzaamheidsbeoordeling van gg-gewassen opnieuw onder de loep te nemen. Met de achterliggende vraag of de bouwstenen voor een duurzaamheidsbeoordeling behulpzaam zijn bij de implementatie van het EU voorstel.
In de signalering “Bouwstenen voor een beoordelingskader voor teelt van gg-gewassen” wordt gekeken welke bouwstenen relevant kunnen zijn voor de Nederlandse situatie en in hoeverre deze aspecten gedekt worden door bestaande regelgeving. Daarnaast worden een aantal aandachtspunten geïdentificeerd met betrekking tot de keuzes die gemaakt moeten worden in de aanloop naar een afwegingskader.

In de internationale workshop ‘A socio-economic assessment framework for GMOs’ heeft de COGEM ervaringen, inzichten en ideeën uitgewisseld met de andere lidstaten. Hoe kijken wetenschappers en beleidsmedewerkers uit andere Europese lidstaten tegen de mogelijkheden van nationaal beleid aan? Welke overwegingen denken zij dat in hun nationale regelgeving zouden kunnen passen? Bij de workshop waren 42 deelnemers uit 11 verschillende landen aanwezig. De workshop bestond uit een aantal presentaties en bood gelegenheid voor discussie gericht op drie hoofdonderwerpen. Ten eerste de perspectieven van lidstaten om op basis van het EC voorstel ggo’s op hun grondgebied te hinderen of verbieden. Ten tweede de uitdagingen bij het identificeren, kwalificeren en kwantificeren, operationaliseren en monitoren van niet-veiligheidsoverwegingen, en ten derde de ervaringen met sociaal-economische afwegingskaders in andere werkvelden.

Blik op de toekomst?: Het nationale teeltvoorstel kwam in 2014 in een stroomversnelling en is begin 2015 aangenomen door de Raad en het Europese Parlement. De gewijzigde Richtlijn 2001/18/EG voor een nationale teeltbevoegdheid voor ggo’s zal begin april 2015 in werking treden en lidstaten moeten vanaf dan bepalen of en hoe zij dit voorstel in hun nationale wetgeving gaan implementeren. In Europa en vooral binnen de EU lidstaten wordt momenteel druk gediscussieerd over hoe dit aan te pakken. Duitsland discussieert over een nationale dan wel regionale aanpak, Frankrijk heeft aangegeven aan haar verbod op teelt van gg-gewassen vast te houden en Engeland is van mening dat de nieuwe regels de agrarische vooruitgang in haar land blokkeren. Daarnaast geven sommige landen aan dat een verdere herziening van het ggo-beleid nodig is. Ook dit onderwerp staat op de Europese agenda voor 2015. Wat de Nederlandse positie zal zijn en hoe zij het voorstel zal gaan implementeren zal in 2015 moeten blijken. De subcommissie Ethiek en Maatschappelijke Aspecten hoopt met haar signalering een bijdrage te hebben geleverd aan dit proces en blijft de ontwikkelingen met belangstelling volgen.

En verder: naast de signalering over bouwstenen voor een afwegingskader voor teelt van gg-gewassen in Nederland, is de COGEM gevraagd door het ministerie om een signalering te schrijven over de ethische en maatschappelijke aspecten van het gebruik van ggo’s in tentoonstellingen. In de signalering ‘Ggo’s te kijk gezet’ wordt de achtergrond en context van deze tentoonstellingen geschetst en wordt gekeken welke elementen een rol spelen in de discussie, en waar mogelijke controverses liggen. De COGEM geeft in haar signalering aan dat tentoonstellingen waarbij ggo’s een rol spelen niet alleen maar problematisch hoeven te zijn. In het rapport worden diverse positieve elementen genoemd die deze vorm van Biokunst met zich meebrengt, zoals de fascinatie van kunstenaars voor het experimenteren met nieuwe ‘materialen’, het laten kennismaken van een breder publiek met biotechnologie en het inspireren van wetenschappelijke innovatie. Maar gezien de maatschappelijke discussie over genetische modificatie, roept ook het gebruik hiervan in tentoonstellingen vragen op over de wenselijkheid en toelaatbaarheid. De maatschappelijke reacties op tentoonstellingen met organismen zijn gemengd, variërend van interesse en nieuwsgierigheid tot bezwaren tegen het gebruik van of genetisch aanpassen van organismen. De betrokkenheid van levende dieren of embryo’s bij tentoonstellingen versterkt deze bezwaren, ook zonder genetische modificatie van het dier zelf.
De COGEM signaleert dat de meeste toepassingen van ggo’s en organismen in tentoonstellingen zijn afgedekt door de geldende wet- en regelgeving. De COGEM signaleert dat specifieke nichetoepassingen van Biokunst, namelijk combinaties van ggo’s met dierlijke embryo’s, echter alleen onder de ggo-regelgeving vallen. Hierdoor kunnen juridisch gezien alleen mogelijke milieurisico’s, maar geen ethische overwegingen worden meegenomen in het besluit al dan niet een vergunning te verlenen voor deze toepassingen. Dit kan maatschappelijke bezwaren of een algemeen gevoel van onbehagen oproepen. Op basis van deze bevindingen zijn een aantal beleidsopties en aandachtspunten geïdentificeerd.

Tot slot. 2014 was dus voor de subcommissie het jaar van regelgeving. Met nieuwe Europese mogelijkheden om nationale regelgeving te ontwikkelen en bio-kunst die bestaande regelgeving op scherp lijkt te zetten. Voor de komende jaren verwacht ik dat we vaker naar de regelgeving zullen moeten kijken omdat de snel-ontwikkelende technologie uit het jasje van de regelgeving dreigt te groeien. De grote vraag wordt dan: verstellen of een nieuw pak aanschaffen. Ik ben benieuwd waar dat op uitdraait.

Prof. dr. Frans Brom
Voorzitter subcommissie Ethiek en Maatschappelijke Aspecten