Voorwoord

De COGEM heeft een boeiend en uitdagend jaar achter de rug. Op alle fronten in het werkveld waren er bewegingen. Een aantal ontwikkelingen en COGEM publicaties wil ik er hier uitlichten. Met de stormachtige opkomst van de zogenaamde ‘Crisp/Cas technologie’ is het mogelijk geworden om gericht veranderingen in het genoom van dieren, planten of micro-organismen aan te brengen. Naast de grote kansen die dit biedt voor onder meer de gezondheidszorg en de veredeling, roept deze techniek ook vragen op. In haar signalering ‘CRISPR-Cas; revolutie uit het lab’, wijst de COGEM er onder andere op dat het met behulp van CRISPR/Cas ook mogelijk wordt om overerfbare aanpassingen in het genoom van de mens aan te brengen. ‘Human genome editing’ is in nagenoeg alle landen in de wereld verboden, maar nu het daadwerkelijk technisch mogelijk wordt om het menselijk genoom aan te passen, zal er een discussie ontstaan of het ‘repareren’ van erfelijke ziekten e.d. toch niet toegestaan moet worden.

Naast ethische vragen, zijn er ook meer praktische vraagstukken. De regelgeving over genetische modificatie blijkt niet toegesneden op ontwikkelingen als CRISPR/Cas. Onduidelijk is welke toepassingen wel of niet binnen de regelgeving vallen, en of er een ggo-vergunning noodzakelijk is. Dit is geen nieuwe constatering. Al in 2006 wees de COGEM op de onduidelijkheid rond een aantal nieuwe plantenbiotechnologische technieken. Sindsdien zijn er in de EU werkgroepen opgericht, zijn er door de Europese Commissie vragen gesteld aan de EFSA over de veiligheid van deze technieken en hun producten, en wordt er naar verluid een juridische analyse gemaakt. Dit neemt niet weg dat er meer dan acht jaar later nog steeds geen helderheid is over de status van deze ooit nieuwe technieken. Een besluit over de status van deze technieken heeft verstrekkende gevolgen. Wanneer een techniek en haar producten onder de ggo-regelgeving vallen, wordt het zeer kostbaar om de producten op de markt te brengen in verband met het veiligheidsonderzoek en de opbouw van het vergunningsdossier. In de meeste gevallen zal besloten worden om het innovatietraject te beëindigen. Met de opkomst van CRISPR/Cas zijn de technische ontwikkelingen in een stroomversnelling geraakt. In minder dan drie jaar heeft deze technologie de wetenschappelijke wereld veroverd. Wil Europa de kansen die deze technologie biedt daadwerkelijk grijpen, dan is snel duidelijkheid nodig over de juridische status van haar verschillende toepassingen en hun producten.

Dit soort vraagstukken kan alleen binnen Europees verband worden geregeld. Vergunningen voor commerciële toepassingen van ggo’s zijn een Europese aangelegenheid en er moet voorkomen worden dat de interne markt verstoord wordt doordat de ene EU-lidstaat een product niet en de andere lidstaat een product wel als ggo-vergunningplichtig beschouwd. Mede daarom heeft de COGEM in 2014 haar internationale samenwerking versterkt door drie symposia te organiseren. Op 16 oktober had ik de eer om onze Europese zusterorganisaties in Amsterdam te verwelkomen voor de tweedaagse ‘7th Meeting of the European Advisory Committees on Biosafety in the field of contained use and deliberate release of GMOs (7th MEACB)’. De MEACB is een één a tweejaarlijkse meeting van adviesorganen van Europese landen. Tijdens de bijeenkomst worden nieuwe inzichten en ervaringen uitgewisseld en gediscussieerd over verbetering van de risicoanalyse en de regelgeving. Voorafgaand aan de MEACB vond een eendaagse workshop plaats over de milieurisicoanalyse van insectenresistente genetische gemodificeerde (gg-)gewassen waarin meerdere toxine-eiwitten zijn ingebouwd. Dit met het oog op mogelijke interacties tussen deze eiwitten waardoor het werkingsspectrum mogelijk verandert. In de sectie ‘Beoordeling van mengsels’ wordt dieper ingegaan op deze materie.

Het derde symposium liet de COGEM organiseren naar aanleiding van een adviesvraag van het ministerie van IenM om een eerdere COGEM signalering over bouwstenen voor een duurzaamheidsbeoordeling van gg-gewassen te updaten. Deze adviesvraag was in het kader van een verandering in de EU-regelgeving die het mogelijk maakt dat lidstaten zelf besluiten of ze teelt van gg-gewassen op hun grondgebied toestaan. Een eventuele verbodsgrond moeten de lidstaten echter in de eigen wetgeving regelen en de afweging mag niet gebaseerd zijn op de veiligheidsbeoordeling van gg-gewassen. De milieu- en voedselveiligheidsbeoordeling blijven namelijk een Europese aangelegenheid. Een afweging zal daarom plaats moeten vinden op sociaaleconomische factoren. De COGEM signalering ‘Bouwstenen voor een beoordelingskader voor teelt van gg-gewassen’ (2014) geeft input voor het opstellen van een dergelijk afwegingskader (zie sectie ‘Nieuwe fase in de EU besluitvorming’). Tijdens het internationale symposium bleek dat veel lidstaten nog worstelen hoe een sociaaleconomisch afwegingskader vorm te geven.

De verandering in de Europese regelgeving staat haaks op het eerdere EU ggo-beleid. Ten eerste is er sprake van renationalisatie van beslissingsbevoegdheden, en ten tweede worden er voor het eerst andere dan veiligheidscriteria betrokken bij de afweging voor toelating van teelt. In 2015 zal de wijziging van de EU-regelgeving ingaan en de Nederlandse regering zal een besluit moeten nemen over de implementatie in de nationale wetgeving.

Ook om Nederlandse ggo-regelgeving was veel te doen. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft het Besluit en de Regeling ggo herzien. Ter ondersteuning van de wijzigingen heeft de COGEM de afgelopen jaren de pathogeniteitsclassificaties van virussen en micro-organismen geüpdatet. Daarnaast vroeg IenM de COGEM een signalering uit te brengen over de maatschappelijke aspecten die een rol spelen bij tentoonstellingen met ggo’s. De aanleiding hiervoor was een vergunningaanvraag voor het tentoonstellen van zebravisjes geïnjecteerd met gg-cyanobacteriën. Tijdens de behandeling van deze vergunningaanvraag bleek dat de ggo-regelgeving slecht is toegesneden op het tentoonstellen van ggo’s of andere publieksactiviteiten waarin genetische modificatie een rol speelt.

De vraag van IenM is een van de signalen dat genetische modificatie zijn weg begint te vinden uit het laboratorium en het traditionele werkveld van de COGEM naar andere terreinen. Dit brengt andere afwegingen met zich mee dan alleen veiligheidsargumenten.

In 2014 bleek hiermee des te duidelijker dat onze wijze van denken over ggo’s, de ggo-regelgeving en de wijze waarop het beleid in Nederland en Europa met ggo’s omgaat niet langer houdbaar is. De ontwikkelingen in 2014 zijn waarschijnlijk alleen de opmaat voor nog grotere veranderingen. Een herziening van het ggo-beleid is onontkoombaar. De COGEM zal ook in de komende jaren met adviezen en signaleringen het beleid en de vergunningverlening hierbij ondersteunen.

Prof. dr. Sybe Schaap
Voorzitter COGEM